vrijdag 6 januari 2017

Verbes en français

infinitief

Voltooid deelwoord (PC)

être
zijn
J'ai été.
Ik ben geweest.
avoir
hebben
J'ai eu.
Ik heb gehad.
aller
gaan
Je suis allé.
Ik ben gegaan.
venir
komen
Je suis venu.
Ik ben gekomen.
entrer
Binnen gaan
Je suis entré.
Ik ben binnen gegaan.
tomber
vallen
Je suis tombé.
Ik ben gevallen.
rester
blijven
Je suis resté.
Ik ben gebleven.
rentrer
Terug (naar binnen) gaan
Je suis rentré.
Ik ben teruggegaan.
sortir
buitengaan
Je suis sorti.
Ik ben buitengegaan.
partir
vertrekken
Je suis parti.
Ik ben vertrokken.
arriver
aankomen
Je suis arrivé.
Ik ben aangekomen.
chanter
zingen
J'ai chanté.
Ik heb gezongen.
manger
eten
J'ai mangé.
Ik heb gegeten.
nager
zwemmen
J'ai nagé.
Ik heb gezwommen.
travailler
werken
J'ai travaillé.
Ik heb gewerkt.
jouer
spelen
J'ai joué.
Ik heb gespeeld.
danser
dansen
J'ai dansé.
Ik heb gedanst.
faire
doen, maken
J'ai fait.
Ik heb gemaakt.
dormir
slapen
J'ai dormi.
Ik heb geslapen.
vouloir
willen
J'ai voulu.
Ik heb gewild.
pouvoir
mogen, kunnen
J'ai pu.
Ik heb gekund.
prendre
nemen
J'ai pris.
Ik heb genomen.
comprendre
begrijpen
J'ai compris.
Ik heb begrepen.
se laver
zich wassen
! je me suis lavé.
Ik heb me gewassen.
se lever
opstaan
! je me suis levé.
Ik ben opgestaan.
s'habiller
zich aankleden
Je me suis habillé
Ik heb me aangekleed.
passer
doorbrengen
J'ai passé.
Ik heb doorgebracht.
raconter
vertellen
J'ai raconté.
Ik heb verteld.
gagner
winnen
J'ai gagné.
Ik heb gewonnen.
compter
tellen
J'ai compté.
Ik heb geteld.
coûter
kosten
Ça a couté  10 euros.
Dat heeft  10 euro gekost.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten